Emelten: herkenning, schade, monitoring, cyclus, preventie en bestrijding
Vorig jaar startte het vierjarig LA-traject ‘Duurzame monitoring en beheersing van belangrijke bodemplagen in de openlucht sierteelt’ dat wordt uitgevoerd door Viaverda, HOGENT en ILVO. Insecten met schadelijke bodemlarven zoals engerlingen, emelten en taxuskevers spelen de hoofdrol in dit project. In het artikel leggen we de klemtoon op de langpootmuggen of de emelten en bespreken we schadebeeld, herkenning, identificatie en monitoring, cyclus, preventieve maatregelen, natuurlijke vijanden, biologische en chemische bestrijding.
Auteurs: Liesbet Van Remoortere (Viaverda), Joachim Moens (HOGENT) en Willem Desmedt (ILVO)
Emelten zijn larven van langpootmuggen. In Vlaanderen zijn van de meer dan 80 soorten langpootmuggen die voorkomen er slechts drie schadelijk: Tipula paludosa (weide- of moeraslangpootmug), T. oleraceae (koollangpootmug) en, in mindere mate, Nephrotoma appendiculata (hoefijzertijger).
Herkennen
De larven zijn 2 tot 5 cm groot en log met een grijsbruine kleur, een bijna onzichtbaar hoofd en stompe, sterachtige structuren met grote openingen aan het achterste. Op basis van deze structuren aan het achterste, die goed zichtbaar zijn met een vergrootglas, kunnen de drie bij ons schadelijke soorten onderscheiden worden. De adulten zijn grote muggen met karakteristieke lange poten. De meeste soorten zijn onopvallend grijs gekleurd, maar het genus Nephrotoma valt op door een gele kleur met zwarte tekeningen.
Schade
Emelten zijn polyfaag, maar schade wordt in de praktijk bijna uitsluitend waargenomen in grassen: vooral in gazons, maar sporadisch ook in weiland en granen. De voorkeur voor grassen heeft een dubbele oorzaak: in permanente graslanden is de bovenste bodemlaag waar emelten leven minder onderhevig aan uitdrogen en door het laaggelegen groeipunt van grassen zit er veel jong bladmateriaal binnen bereik van de emelten.
Hoewel emelten bodemlarven zijn, vreten ze niet of weinig aan wortels. Ze voeden zich vooral met de onderste groene delen van de plant, de stengelbasis en onderste bladeren. Emelten knippen grasstengels meestal af boven het groeipunt van de plant, waardoor de plant kan hergroeien en zichtbare schade bij groeizaam weer zeldzaam is. Kale plekken door emelten duiken meestal op bij jong of slecht geworteld gras, bij ongunstige weersomstandigheden of rond november wanneer de emelten nog grazen, maar het gras maar weinig groeit. Secundaire schade is ook hier vaak groter dan de rechtstreekse schade door de emelten: vogels zoals merels, spreeuwen, kauwen, roeken en kraaien,… voeden zich met emelten en kunnen door hun wroeten grasplantjes ontwortelen. Doordat zichtbare emeltenschade bij sterke graszoden en groeizaam weer zeldzaam is, wordt in de kwekerij zelden schade waargenomen.
Volwassen langpootmuggen voeden zich tijdens hun korte adulte fase afhankelijk van de soort ofwel niet, ofwel met nectar of stuifmeel.
Monitoring
Er zijn geen lokstoffen gekend voor langpootmuggen. Wel zijn ze sterk aangetrokken tot licht, waardoor lichtvallen veelbelovend zijn voor monitoring. In dit project wordt gebruik gemaakt van zelfgebouwde lichtvallen die bestaan uit een kunststof vangbak met een LED-schijnwerper op zonne-energie. Bijzonder belangrijk bij monitoring van adulten is zorgvuldige soortidentificatie, aangezien er slechts drie soorten problematisch zijn. Het identificeren van langpootmuggen tot op soort is niet eenvoudig, waardoor binnen het project gebruikgemaakt wordt van DNA-identificatie. Tot op heden is ook weinig geweten over hoe voorspellend de aanwezigheid van volwassen langpootmuggen is voor latere emeltenproblemen.
In het project worden larven gemonitord door het uitsteken van stukken zode, genomen in een gridpatroon doorheen grasvelden. Via de pekelbadmethode kunnen emelten in de stalen snel en nauwkeurig worden geteld en ingezameld voor identificatie.
Cyclus
In Vlaanderen zijn maar enkele soorten langpootmuggen (sporadisch) schadelijk in de land- en tuinbouw, en slechts één soort – de moeraslangpootmug (Tipula paludosa) – veroorzaakt het overgrote deel van schade aan grassen en graslanden. In de rest van dit artikel wordt dan ook enkel op deze soort gefocust.
De moeraslangpootmug heeft één vlucht per jaar, meestal in september, maar afhankelijk van het weer tot enkele weken vroeger of later. De volwassen langpootmug leeft slechts een tweetal weken en voedt zich niet of nauwelijks. Na paring legt het vrouwtje eitjes in de grond, bij voorkeur in vochtig grasland. De emelten komen daarna uit en voeden zich tot eind juni. Tijdens zeer koude winters stopt de vraat in de koudste maanden, maar tijdens de relatief zachte winters van afgelopen jaren ging vraat vaak (bijna) de hele winter door. De larven verpoppen doorgaans in juli, maar dit kan bij zeer droog weer enkele weken vervroegen.
Preventieve maatregelen en natuurlijke vijanden
Emelten zijn onvermijdelijk in gras, en een gezonde, sterk groeiende graszode verdraagt vrij hoge aantallen emelten zonder zichtbare schade of problemen. Net als hierboven voor engerlingen geldt dus ook voor emelten dat het gazon in optimale toestand houden bijzonder belangrijk is.
Eitjes en jonge larven van de moeraslangpootmug zijn zeer gevoelig voor uitdroging. Hier kan op worden ingespeeld door beregenen in de periode augustus-oktober te vermijden, en vooral door (oppervlakkige) bodembewerkingen uit te voeren na het oogsten of voor het inzaaien in deze periode. Dit veroorzaakt uitdroging van de toplaag van de bodem, en stelt eitjes en larven ook meer bloot aan predatie.
Veruit de belangrijkste natuurlijke vijand van emelten zijn vogels, in het bijzonder kraaiachtigen en spreeuwen. Hoewel ze een zeer grote reductie in emeltenpopulaties kunnen bewerkstelligen, kan hun wroetgedrag minstens evenveel schade toebrengen aan de zode als de emelten zelf en dan vooral als de zode jong of slecht beworteld is. Volwassen langpootmuggen worden gegeten door onder meer bepaalde zangvogels, spinnen en vleermuizen, maar de betekenis hiervan voor het populatieverloop van emelten is onduidelijk.
Chemische en biologische bestrijding
Alle bestrijdingsopties zijn enkel echt doeltreffend tegen jonge (L1/L2) larven. De jonge L1-larven ontluiken kort na de vlucht van de langpootmuggen. Dit gebeurt meestal naar het einde van september toe, maar afhankelijk van locatie en weersomstandigheden kan dit meerdere weken verschuiven. Voor een optimale timing kan de vlucht van de adulten worden gemonitord. Een lichtval kan helpen om de piekvlucht in te schatten. Zelf een eenvoudige lichtval bouwen kan door een stevige plastic bak, gevuld met water en een scheutje afwasmiddel, te voorzien van een LED-lamp (bv. tuinverlichting op zonne-energie).
Sinds februari van dit jaar werd opnieuw een chemisch insecticide toegelaten: Acelepryn, op basis van chlorantraniliprole. Het product is erkend voor bestrijding van emelten en engerlingen in gazons, grasvelden, golfterreinen en de productie van gazonrollen (tabel 1). Aangeraden wordt om het product toe te passen op het hoogtepunt van de vlucht van de adulten, zodat de kwetsbare L1-larven maximaal worden bereikt. Monitoring in aangetaste percelen is dus sterk aan te bevelen. Behandeling in het voorjaar tegen oudere L3/L4-larven heeft weinig zin.
Voor de biologische bestrijding van emelten kan gebruikgemaakt worden van aaltjes. Hoe ouder de larven, hoe minder vatbaar ze nog zijn voor parasitisme door aaltjes. Toepassing gebeurt daarom dus best in september of oktober, wanneer de larven jong zijn en de bodem nog relatief warm is. Tegelijkertijd is een bodemtemperatuur van minimaal 12°C, en liefst meer, nodig om de aaltjes levend en actief te houden (tabel 2). Indringing in zeer dichte zoden kan een probleem zijn. Er wordt momenteel onderzocht of wetting agents hierbij kunnen helpen. Indien beschikbaar, kunnen systemen om de aaltjes te injecteren onder de gazonzode ook de werkzaamheid verhogen.
Werking en toepassingsvoorwaarden parasiterende aaltjes
De microscopisch kleine parasiterende aaltjes zullen op zoek gaan naar larven. Als ze een larve binnendringen, scheiden ze bacteriën af die in symbiose leven met de aaltjes, maar die wel fataal zijn voor de larve. De bacteriën zetten de ingewanden van de gastheer om in vloeibaar voedsel dat makkelijker te eten is voor de nematoden. De parasitaire nematoden vermenigvuldigen zich in de larve vooraleer die ontbindt. Zodoende verspreidt zich een nieuwe generatie nuttige nematoden die op zoek kunnen gaan naar nog resterende larven. Geïnfecteerde larven verkleuren afhankelijk van de toegepaste aaltjessoort soms van witbeige naar helderrood tot bruin en het insect verslijmt, waardoor dit vaak moeilijk terug te vinden is. De eerste larven kunnen na twee tot vier dagen gedood worden. Deze aaltjes vragen een bepaalde bodemtemperatuur. Alle parasiterende aaltjes hebben vocht nodig voor hun verplaatsing in de bodem. De aaltjes zijn zeer gevoelig voor uitdroging en blootstelling aan zonlicht. Daarom worden de aaltjes best aangebracht bij bewolkt weer, vroeg in de ochtend of ’s avonds. Onder bestaande hagen kan de grond zelfs na een aantal fikse regenbuien extreem droog blijven. Wanneer zulke plaatsen dienen behandeld te worden, is het noodzakelijk om de plaats van behandeling vochtig te maken en te houden door te beregenen. Doe je dit niet, dan heeft de behandeling nagenoeg geen enkel effect. Ook na de toepassing dienen de aaltjes ingeregend te worden. Ook een gazon moet na een toepassing enkele weken vochtig blijven. Er zal nagegaan worden of wetting agents de verdeling van de aaltjes in een substraat of in gazon kunnen optimaliseren.
Dit artikel is geschreven binnen het project ‘Duurzame monitoring en beheersing van belangrijke bodemplagen in de openlucht sierteelt’.