Twee voorzitters, één visie
Jan Belaen en Wouter De Smet leiden Groen Groeien in tandem. Hun missie: de groensector verbinden, versterken en klaarstomen voor de toekomst. Van tewerkstelling tot regelgeving, samen willen ze bouwen aan een bloeiende, duurzame sector.
Auteur en beelden: Pieter Clicteur
Jullie zijn samen voorzitter van Groen Groeien. Een bewuste keuze om dat in tandem te doen?
Jan: We hebben allebei een drukke agenda en willen de taken wat verdelen. Het is toch een stevige opdracht. We krijgen nog altijd veel ondersteuning van Marc Galle.
Wouter: Je kunt er tijdens het werkjaar gerust een halftijdse job van maken.
Als voorzitters hebben jullie ongetwijfeld elk een eigen invalshoek of specialisatie. Hoe vullen jullie elkaar aan?
Wouter: De taken lopen wat door elkaar. We werkten van bij het begin heel vlot samen; we waren toen ook al samen ondervoorzitter. We bellen soms meer dan wekelijks om te overleggen.
Jan: Als we ergens een opsplitsing moeten maken, kun je stellen dat ik vooral betrokken ben bij de activiteitenkalender en Wouter zich eerder bezighoudt met het financiële en alles wat daarachter zit. Dat wil uiteraard niet zeggen dat er geen connectie is tussen de twee. Belangrijke beslissingen nemen we altijd samen.
Wat heeft jullie gemotiveerd om de rol op te nemen?
Wouter: We willen iets betekenen voor de sector. Mee aan het stuur zitten.
Jan: Het doel van onze vakvereniging is de tuinsector naar een hoger niveau te tillen. Wij hebben de kans gekregen om daaraan mee te werken en kunnen de richting mee bepalen die we willen zien.
De groensector verandert snel. Hoe zien jullie de toekomst van tuinaannemers en -architecten in Vlaanderen de komende tien jaar?
Wouter: Ik zie het heel positief. We merken veel vergroening, zowel bij steden en gemeenten als bij particulieren. De tuin is een belangrijk onderdeel geworden van de woning. Vroeger moest de woning in orde zijn en was de tuin bijkomstig. Nu is de tuin een uitbreiding van het huis. Mensen komen thuis en vinden rust in het groen. Daardoor wordt er ook meer in geïnvesteerd.
Jan: We staan wel voor een aantal grote uitdagingen, vooral op vlak van regelgeving. Ik denk aan ontharding, waterinfiltratie en vergroening in het algemeen. Om alles met elkaar te matchen, zullen we creatief moeten zijn. Er is momenteel weinig ruimte in de regelgeving. De wetgeving rond verharding is te strikt. De alternatieven zijn nog vrij nieuw, waardoor we klanten er niet altijd in meekrijgen. Zwemvijvers vallen bijvoorbeeld onder dezelfde vergunningsplicht als een chloorzwembad. We willen dat opwaarderen zodat een zwemvijver wordt gezien als een ecologisch systeem binnen de tuin. Nu wordt dat gewoon meegeteld in het aantal vierkante meters verharding.
Wouter: De tuinaannemer of -architect zou veel vroeger in het ontwerpproces van een woning moeten worden betrokken. Op die manier kunnen wij al advies geven over de vergunningen. We staan vaak voor een voldongen feit wanneer we zien dat er meer verharding wordt gevraagd dan vergund is. Door ons meteen in het verhaal mee te nemen, kan veel vermeden worden.
Groendaken in industriegebied kunnen een oplossing bieden als het over ontharding gaat. Kan Groen Groeien een rol opnemen om dit bij de overheid aan te kaarten?
Jan: We hebben een nevenafdeling ‘Dak en gevelgroen’. Zij zetten daar sterk op in. Er staan inderdaad enorm veel bedrijfsgebouwen in Vlaanderen, maar het grote probleem is dat de draagkracht van die daken vaak niet volstaat om een groendak aan te leggen.
Wouter: Het probleem is ook dat een groendak niet zichtbaar is. We merken dat bedrijven wel investeren in groen, omdat dat meespeelt in de beleving van de klant. Dat werkt ook: er wordt veel minder verhard. Maar wat op je dak ligt, ziet de klant niet.
Jan: Bedrijven moeten bijvoorbeeld twintig procent van hun perceel inkleuren als groenzone. Daar zien veel bedrijven tegenop, omdat dat bruikbare oppervlakte wegneemt – bouw grond kost veel geld. Als je dat percentage kunt verplaatsen naar je dak, kun je je perceel honderd procent benutten. Dat kan een interessante piste zijn.
Groengek(l)eurd is een belangrijk label binnen de sector. Wat betekent het volgens jullie écht om Groengek(l)eurd te zijn?
Jan: Ik heb drie jaar geleden het label behaald en was betrokken bij de ontwikkeling ervan. Het sterke punt is dat je kunt aantonen aan je klant dat je als aannemer je zaakjes goed op orde hebt. Dat je in regel bent met wat wettelijk van je wordt verwacht, en dat je dat ook kunt aantonen. Daarnaast is het een goede reflectie voor jezelf: ben je goed bezig? Het label zorgt voor transparantie in alles wat je doet.
Wouter: Het is als het ware een handleiding over hoe je bedrijf eruit zou moeten zien.
Jan: We willen het label nu nog uitbreiden met een bijkomende tak: een ecolabel.
Tewerkstelling in de sector is een blijvend aandachtspunt. Hoe kunnen we jonge mensen enthousiasmeren om voor een job in het groen te kiezen?
Wouter: We kunnen de sector helpen promoten op de juiste plaatsen. We gaan naar scholen om jonge mensen aan te trekken. Op die manier gaan we naar de basis. Hoe meer we de sector kunnen professionaliseren, hoe meer aanzien de job krijgt. Een heel belangrijke factor is het aanbieden van goede stageplaatsen. Wij hebben nu iemand in dienst die via duaal leren aan de slag is. Tegen dat hij zijn leertijd heeft uitgedaan, kan hij perfect meedraaien. Daarvoor moet je ze van jongs af aan warm maken. Ik geef hen ook veel mee zodat ze op school kunnen tonen wat ze hebben gedaan. Dat maakt hen fier en ze stralen dat uit naar andere leerlingen.
Jan: Het is belangrijk om hen van bij het begin kennis te laten maken met de variatie binnen de job. Als je stagiairs enkel laat onkruid wieden, blijven ze niet lang gemotiveerd. Als je hen laat meedraaien, krijgen ze veel meer voldoening. Laat ze iets doen waar ze trots op kunnen zijn. Dan zien ze wat mogelijk is, dat het niet enkel bladeren harken is. Het is natuurlijk een tijdsinvestering als stagebedrijf. Je moet je ervan bewust zijn dat ze nog moeten leren, maar als het iemand is die wil leren, pluk je daar de vruchten van.
De administratieve druk en regelgeving worden vaak als zwaar ervaren in de sector. Zien jullie mogelijkheden om daar verandering in te brengen of ondernemers beter te ondersteunen?
Wouter: We zien wat er in tien jaar tijd is veranderd. Ik durf bijna stellen dat de administratie verdubbeld is. Klanten zijn ook veeleisender geworden – niets op tegen, maar het komt er natuurlijk bij. Dat is een hele boterham. De digitalisering helpt al wat, maar als vakvereniging vrees ik dat we daar niet veel aan kunnen veranderen. Er komt steeds meer bij, we zijn nog niet aan het einde. Er kruipt gigantisch veel tijd in het opmaken van dossiers en het bijwerken ervan. De klant verwacht dat wij dat allemaal regelen, maar het kost tijd en kennis.
Jan: Ik ervaar hetzelfde, zowel bij particulieren als bij openbare aanbestedingen. Je bent uren bezig met papierwerk. Opmaken van gevraagde documenten, technische fisches, veiligheidfisches, enz Je kunt dat niet tegenhouden, je moet er gewoon voor zorgen dat je in orde bent. Maar zonder extra mensen krijg je het niet rond.
Wouter: Je moet heel goed voorbereid zijn voor je met iets start. Ook tijdens de werken moet je steeds een stap vooruit blijven. Dat geldt niet enkel voor de tuinsector, dat is in alle sectoren zo. Wat we nu al doen, is daarover informeren. We organiseren infosessies, maar dat neemt de werkdruk natuurlijk niet weg.
We hebben een evolutie gezien in de landbouw, waar de kleine boer vervangen is door grotere landbouwbedrijven. Zie je dat in de tuinsector ook gebeuren?
Wouter: Ik denk dat we uitersten gaan krijgen. Bedrijven die met personeel werken, en kleine zelfstandigen die af en toe ook voor die grote bedrijven werken als freelancers. Dat is ook een goede manier om die papierwinkel wat te ontlopen. Zo blijf je in de tuin werken en wordt het administratieve voor jou geregeld. En die mensen gaan kansen krijgen, want we zijn allemaal op zoek naar goede werkkrachten.
Jan: We hebben geen glazen bol natuurlijk, maar ik denk dat dat de richting is die we uitgaan. Er wordt wat te makkelijk overgestapt naar zelfstandige. Het wordt onderschat: het is meer dan buiten werken.
Wouter: Klanten zijn ongeduldiger geworden. Ze gaan geen drie keer bellen naar dezelfde aannemer als ze iets nodig hebben. Mensen willen niet meer wachten. Pakjes worden de dag na bestelling geleverd, en dat trekt zich door in de maatschappij: instant happiness. Als eenmanszaak kun je niet zo snel schakelen. Grotere bedrijven hebben de mogelijkheid om toch nog iemand te sturen als er dringende zaken zijn.
Groen Groeien is meer dan een belangenvereniging, het is ook een community van vakmensen. Hoe belangrijk is die evolutie?
Wouter: Ik vind dat heel belangrijk. Openheid, samenwerking … De tijd van elkaar met oogkleppen te passeren is binnen Groen Groeien voorbij. Dat verhoogt meteen het niveau van de sector.
Jan: We zien op netwerkmomenten na vergaderingen dat de meeste mensen openstaan om kennis te delen met collega’s. Op zo’n moment ben je geen concurrent en kun je elkaar helpen. Iedereen is op een bepaald vlak slimmer dan jij, maar als je niet met elkaar spreekt, kom je het niet te weten. Als je openstaat om te geven, zul je ook ontvangen – en je gaat slimmer terug naar huis.
Tot slot: waar dromen jullie van voor de sector? Als jullie één concreet doel mochten realiseren tijdens jullie voorzitterschap, wat zou dat zijn?
Jan: Voor mij is het belangrijk dat we mensen nog meer kunnen samenbrengen die met de tuinsector begaan zijn. We zijn met verschillende verenigingen, maar het einddoel is min of meer hetzelfde. Voor belangrijke zaken moeten we op één lijn komen en gezamenlijk een richting bepalen. Zo kunnen we als groensector een krachtig signaal geven.
Wouter: Ik sluit me daar helemaal bij aan. We hebben binnen Groen Groeien al veel kunnen verwezenlijken en zijn met nog veel bezig. Elke vereniging wil de sector naar een hoger niveau tillen. We hebben dezelfde visie. Dat werkt versterkend en maakt ons relevanter naar de overheid toe.
Jan: Als je het moet gaan uitleggen in Brussel en je vertelt met z’n allen hetzelfde verhaal, dan wordt er geluisterd – want er zijn geen alternatieven. Op die manier krijg je meer gedaan. Eerst verbindend werken, en dan op de juiste deur kloppen met dat gezamenlijke standpunt.